Maart 2026
De 4 aspecten van brandveiligheid
Gezondheid
Brandveiligheid is in elk gebouw een belangrijk aandachtspunt. Brandveilige bekabeling, goede branddetectie, noodverlichting en blusinrichting kunnen levens redden. In de verschillende normen en richtlijnen is hiervoor dan ook veel aandacht. Wat zijn de belangrijkste zaken die je als installateur moet weten?
Bekabeling
Brandklasse
Nen 8012 beschrijft de bijzondere eisen die aan de bekabeling in verschillende soorten gebouwen worden gesteld. Om het brandrisico van een kabel aan te duiden, hanteren we in Nederland vier classificaties (tabel 1). Eca wordt toegepast bij gebouwen waar een laag brandrisico heerst, zoals in woningen. Dca pas je toe bij een middelgroot brandrisico, Cca bij een groot brandrisico en B2ca bij een zeer hoog brandrisico. Bij deze laatste categorie kun je denken aan locaties met een hoge bezetting waar evacueren een uitdaging is, zoals ziekenhuizen of hotels.
Achter deze classificaties staan nog drie letters met een cijfer: s (smoke production), d (flaming droplets) en a (acidity). Hoe hoger het getal achter de letter, hoe groter de bijdrage aan rook (s), druppeltjes (d) en giftige corrosieve dampen (a). Een kabel met een geringe rookproductie krijgt dus s1; bij veel rookproductie s3. Bij d0 komen er geen brandende, vallende deeltjes van de kabel af, bij d2 veel. En hetzelfde geldt voor de corrosieve dampen die vrijkomen: a1 betekent laag, a3 hoog. Welke kabel je op basis van deze classificaties moet toepassen, staat weergegeven in een tabel in Nen 8012, waar het Bbl (Besluit bouw- en leefomgeving) naar verwijst.
Brandveilige bekabeling draait om brandklasse en functiebehoud.
Functiebehoud
Het Bbl schrijft voor dat voor sommige gebouwen en functies bepaalde installaties moeten worden geïnstalleerd, zoals een brandmeld- en ontruimingsinstallatie. Het Bbl verwijst dan naar specifieke normen, zoals Nen 2535 en Nen 2575. Sommige leidingtrajecten moeten in functiebehoud worden aangelegd. Deze kabels moeten tijdelijk, bijvoorbeeld 30 minuten, hoge temperaturen kunnen weerstaan om bij brand te blijven functioneren. Loopt de kabel bijvoorbeeld door een kabelgoot aan de muur of aan het plafond, dan mag deze natuurlijk niet naar beneden vallen. Dat betekent dat de kabelgoten en ophangingen van robuust staal moeten zijn, zodat het gehele traject bij brand intact blijft.
Welke elektrische functies bij brand behouden moeten blijven, staat in de betreffende normen. Denk bijvoorbeeld aan slow whoops (ontruimingssignalen), brandweerliften, rookgasafvoeren en blusinstallaties. Pas je als installateur bekabeling met functiebehoud toe, dan is ook de manier waarop je deze bevestigt essentieel. Aandachtspunten zijn het gebruik van de juiste, brandveilige beugels en het beugelen op de juiste afstanden (volgens de instructies van de fabrikant). Tot slot is functiebehoud ook op andere manieren te waarborgen. Denk aan het toepassen van een ringleiding door verschillende compartimenten. Als de kabel dan aan één kant uitvalt door brand, kan deze aan de andere kant blijven functioneren. Een andere manier is om de leiding door het beton te laten lopen. En in sommige gevallen wordt functiebehoud ook gewaarborgd door de aanwezigheid van bijvoorbeeld een sprinklerinstallatie.
Tabel 1. Classificatie brandrisico.
Branddetectie
Brandmelders
Is er brand in een pand, dan moet dit snel worden gedetecteerd. Nen 2535 is de norm die de eisen, opbouw en inspectie van een brandmeldinstallatie beschrijft. Waar de opbouw en omvang van een brandmeldinstallatie aan moet voldoen, moet vooraf worden bepaald en worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE). De norm beschrijft hoe en waar de brandmelder moet worden geprojecteerd. Er zijn uiteenlopende melders die op een brandverschijnsel reageren, zoals temperatuur of rook. De meest toegepaste melder is een optische rookmelder. Deze rookmelder reageert op in de lucht zwevende verbrandings- en/of pyrolytische producten, oftewel aerosolen.
In sommige situaties kan deze melder echter ongewenste meldingen geven. Bijvoorbeeld wanneer de melder reageert op condensdruppels of de rook die een kachel of heftruck veroorzaakt. Een thermische melder is dan een alternatief. In de meeste gevallen is een rookmelder echter de betere optie, omdat deze een brand doorgaans sneller detecteert. Dat geldt nog meer voor een aspiratiedetectiesysteem, ook wel ASD. Hierbij bevindt de melder zich in de afzuiginstallatie, waarbij het systeem actief lucht aanzuigt en rook dus nog sneller detecteert. Deze systemen zien we in de praktijk vaak in locaties waar zeer vroege detectie belangrijk is, zoals serverruimtes.
De meest toegepaste melder is een optische rookmelder.
Brandmeldcentrale
Als een van de melders rook of een hoge temperatuur detecteert, of wanneer een handmelder wordt geactiveerd, geeft deze een signaal aan de brandmeldcentrale. In de centrale worden dan uitgangen aangestuurd. Denk bijvoorbeeld aan slow whoops en brandweerliften, en eventueel een doormelding naar een alarmcentrale om de brandweer te informeren. Ook voor een brandmeldcentrale en eventuele nevenpanelen gelden eisen. Zo moet deze op de juiste hoogte worden geplaatst, duidelijk zichtbaar zijn en toegankelijk zijn voor brandweer en beheerder. Tegelijkertijd is het niet de bedoeling dat onbevoegden erbij kunnen en moet de centrale beschermd zijn tegen stof, vocht en extreme temperaturen.
Steeds vaker komen moderne brandmeldcentrales met een internetverbinding voor. In dat geval ligt het risico van hacking op de loer. Let erop dat je als installateur volgens de NIS2 en de Cyber Resilience Act (CRA) verantwoordelijk bent voor de cyberveiligheid van de installatie.
Iedere installateur mag de centrale en de melders installeren, maar de eindcertificering moet gebeuren door een erkend branddetectiebedrijf. Deze controleert of de installaties aan alle genoemde eisen voldoen. Verder moet de beheerder van een brandmeldinstallatie volgens Nen 2654-1 in het bezit zijn van een BBMI-certificaat (Beheerder Brandmeldinstallatie).
Steeds vaker brandmeld-centrales met internet-verbinding
Noodverlichting
Noodevacuatieverlichting
Het Bbl en Nen-EN 1838 verplichten in veel gebouwen om noodverlichting (of specifieker: noodevacuatieverlichting) toe te passen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen vier soorten noodverlichting. Vluchtwegverlichting verlicht de vluchtroute in geval van een calamiteit. Dit zorgt dat bijvoorbeeld ook trappen en obstakels goed zichtbaar zijn. Vluchtwegaanduiding laat door middel van pictogrammen en pijlen zien waar deze vluchtroute loopt. Deze is niet alleen in geval van nood, maar altijd zichtbaar. Anti-paniekverlichting is bedoeld om grote ruimtes voldoende te verlichten en zo panieksituaties te voorkomen. Deze is verplicht in ruimtes groter dan 60 m2, maar wordt in de praktijk ook in kleinere ruimtes toegepast. Tot slot is er de hoog-risico noodverlichting voor plekken met bijvoorbeeld gevaarlijke apparatuur of gevaarlijke stoffen. Deze verlichting helpt om de werkzaamheden op deze plekken veilig te kunnen staken. Ook hier bepaalt de situatie dus wat voor noodverlichting er verplicht is en aan welke eisen deze moet voldoen. Het Bbl bevat tabellen die hier dieper op in gaan.
Beheer en onderhoud
Een belangrijke eis is dat noodverlichting bij brand of stroomuitval minimaal een uur moet blijven functioneren. Hiervoor pas je een aparte accu toe. Om de werking hiervan te garanderen, is een periodieke keuring vereist. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de eigenaar of gebruiker, maar deze kan het beheer en onderhoud uitbesteden aan bijvoorbeeld de installateur. Wie noodverlichting wil ontwerpen, installeren en/of onderhouden, moet voldoen aan de eisen volgens het Certificatieschema Noodverlichtingsinstallaties.
Voor het plaatsen van een sprinklerinstallatie is een CCV-certificaat nodig.
Blusinrichting
Blusinstallaties
Tot slot de blusinrichting, opnieuw een vak apart binnen de brandbeveiliging. Of een blusinrichting verplicht is en hoe deze er precies uit moet zien, verschilt ook hier weer per situatie. Zo bepaalt de toepassing en functie van een gebouw of ruimte welk type installatie er nodig is. Sprinklerinstallaties worden vaak geplaatst, bijvoorbeeld in kantoren of appartementencomplexen. Maar er zijn ook situaties waarin blussen met water niet wenselijk is, zoals bijvoorbeeld in serverruimtes. Doorgaans worden hier blusgasinstallaties toegepast. Bij zo’n installatie is het belangrijk om een vertraging in te bouwen, zodat aanwezigen tijd hebben om de ruimte te verlaten om verstikkingsgevaar te voorkomen. Dan zijn er nog plekken waar vloeistofbranden een risico zijn, zoals in industriële omgevingen. In dat geval is blusschuim een oplossing.
Voor elk van deze soorten blusinstallaties gelden specifieke eisen aan wie deze mag installeren. Zo is voor het plaatsen van een sprinklerinstallatie een CCV-certificaat (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid) nodig. Vervolgens moet ook hier een onafhankelijk, erkend inspectiebedrijf de installatie keuren en certificeren. Hetzelfde geldt voor blusgasinstallaties, waarvoor andere eisen gelden en dus een apart CCV-certificaat nodig is.
Aanvullende systemen
Tot slot kan een blusinrichting nog aanvullende systemen omvatten. Bijvoorbeeld een blusleiding waar de brandweer gebruik van maakt. Meestal is dit een droge blusleiding, die leeg staat en pas wordt gevuld als de brandweer deze koppelt aan een brandkraan. Een droge blusleiding is verplicht voor hoogbouw boven de 20 m of lagere gebouwen die niet rondom te bereiken zijn. Voor gebouwen boven de 70 m zijn aanvullende installaties nodig, zoals een pompinstallatie om het water omhoog te krijgen. Natte blusleidingen, die altijd gevuld zijn met water en onder constante druk staan, komen vanwege het risico op bevriezing minder vaak voor, maar worden soms toegepast in bijvoorbeeld kantoorgebouwen of scholen. Je sluit de blusleiding dan aan op de watervoorziening van de sprinklerinstallatie.
Tekst: Lars van Mil
Fotografie: Getty images/Savushkin, demarco-media, deepblue4you, kitthanes, adventtr
Lees meer artikelen in het dossier Beveiliging