Elektrische auto’s duiken inmiddels in bijna elke nieuwbouwwijk op. Tegelijkertijd groeit de woningbouwproductie door, terwijl het stroomnet op veel plekken al onder druk staat. Juist in woonwijken ontstaat daardoor een nieuwe uitdaging: hoe zorg je dat bewoners straks probleemloos thuis kunnen laden zonder dat de wijkinstallatie vastloopt? Volgens netbeheerders begint het antwoord al tijdens de ruwbouw. Niet de laadpaal zelf vormt daarbij de grootste uitdaging, maar de manier waarop installateurs de complete laadinfrastructuur voorbereiden.
Waar een laadpaal vroeger vaak gold als losse uitbreiding op de woninginstallatie, vraagt elektrisch rijden nu om een bredere aanpak. Zeker in rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en appartementencomplexen neemt de gezamenlijke elektriciteitsvraag snel toe. Overdag leveren zonnepanelen stroom terug aan het net, terwijl bewoners ’s avonds massaal thuiskomen en hun auto aansluiten. Op dat moment ontstaat de grootste belasting.
Woonwijk
De druk op het net volgt een herkenbaar patroon. Niels Stet, woordvoerder bij Alliander, beschrijft het: ‘De snelle groei van elektrisch rijden draagt bij aan een hogere belasting van het net in woonwijken, vooral op momenten dat veel mensen tegelijk thuiskomen en hun auto gaan opladen.’ Dat speelt met name in wijken die zijn aangelegd lang voordat iemand rekening hield met deze extra vraag.
Gerbert van Genderen Stort van Stedin legt uit wat er dan misloopt: ‘Wanneer woningen en laadpalen tegelijk stroom afnemen, ontstaat piekstapeling. Die maximale capaciteitsvraag bepaalt wat het net aankan, en precies daar zit het knelpunt. Diederik van Herwijnen, woordvoerder van Enexis bevestigt dat het stroomnet op bepaalde momenten op de dag inmiddels vol zit. Hoewel netbeheerders volop investeren in kabels en stations, overstijgt volgens hem de vraag naar capaciteit momenteel de snelheid waarmee wordt bijgebouwd.
Slim laden
Juist daarom verschuift de aandacht steeds meer van individuele laadpalen naar slimme laadinfrastructuur op wijkniveau. Enexis noemt netbewust bouwen inmiddels de nieuwe standaard voor nieuwbouwprojecten. Daarbij draait het niet alleen om voldoende netcapaciteit, maar vooral om slimmer omgaan met de beschikbare ruimte op het elektriciteitsnet.
Dit vraagt van installateurs om vooruitdenken in de ruwbouwfase. Wie nu al rekening houdt met toekomstige laadvoorzieningen, voorkomt later dure aanpassingen of overbelasting. Alliander adviseert daarom om extra ruimte te reserveren voor kabeltracés en zwaardere bekabeling, ook wanneer die capaciteit nog niet nodig lijkt. Daarnaast groeit het belang van installaties die voorbereid zijn op slim laden en load balancing. Slim laden speelt daarin een sleutelrol. Daarbij bepaalt software automatisch wanneer een auto stroom krijgt. Niet elke auto hoeft immers om zes uur ’s avonds op te laden. Door laadmomenten slim te spreiden, daalt de piekbelasting en benut de wijkinstallatie de beschikbare capaciteit beter.
Van individuele laadpalen naar slimme laadinfrastructuur op wijkniveau
Die verschuiving naar slim laden zie je inmiddels ook terug in de openbare ruimte. Enexis paste afgelopen winter netbewust laden toe op ruim 2.200 publieke laadpalen binnen het verzorgingsgebied. Van Herwijnen: ‘Tijdens piekmomenten verminderde de laadcapaciteit automatisch om het elektriciteitsnet te ontlasten. Zulke systemen zullen de komende jaren waarschijnlijk steeds vaker terugkeren in woonwijken. Vooral collectieve laadoplossingen winnen daarbij terrein. In plaats van elke woning een afzonderlijke zware aansluiting te geven, kijken we steeds vaker naar gedeelde laadvoorzieningen of gezamenlijke aansluitingen. Daarmee daalt de piekbelasting per woning aanzienlijk.’
Energievraag
Installateurs krijgen daardoor een bredere rol dan alleen het aansluiten van een laadpunt. Zij bepalen steeds vaker hoe flexibel een woning of woonwijk later met elektriciteit omgaat. Volgens Alliander kunnen installateurs installaties zo ontwerpen dat apparaten niet allemaal tegelijk stroom vragen. Laadpalen communiceren daarbij bijvoorbeeld met warmtepompen of boilers, zodat het totale vermogen binnen de beschikbare capaciteit blijft.
Stedin ziet daarnaast veel mogelijkheden in het combineren van slim laden met lokale energieopslag. Zelf opgewekte zonnestroom kan overdag eerst in een thuisbatterij worden opgeslagen en later worden gebruikt om een elektrische auto op te laden. Daarmee verschuift de vraag deels, en verdwijnt deze uit de drukke avonduren.
Ook een goede faseverdeling speelt een grotere rol dan veel bewoners beseffen. De meeste nieuwbouwwoningen krijgen inmiddels standaard een 3-fase aansluiting. Toch kan alsnog overbelasting ontstaan wanneer zware apparaten verkeerd over die fasen worden verdeeld. Van Genderen Stort wijst daarom op het belang van een goede balans binnen de installatie. ‘Wanneer één fase zwaar belast raakt, terwijl de andere twee nauwelijks worden gebruikt, ontstaan alsnog problemen.’ Installateurs kunnen daarvoor gebruikmaken van de Fasulator, een hulpmiddel waarmee de belasting op wijkniveau beter verdeeld wordt.
Grenzen
Ondertussen lopen sommige bestaande woonwijken al tegen duidelijke grenzen aan. Vooral in regio’s waar netcongestie zwaar speelt, kunnen nieuwe aansluitingen of uitbreidingen soms niet direct worden gerealiseerd. Alliander beoordeelt daarom per wijk en elektriciteitsstation wat nog mogelijk is. Volgens Stet van Alliander betekent dat niet dat woonwijken volledig op slot gaan, maar bewoners krijgen wel steeds vaker te maken met wachttijden of beperkingen.
Stedin schetst hetzelfde beeld. ‘In verschillende regio’s gelden inmiddels aansluitstops doordat het elektriciteitsnet de vraag tijdelijk niet meer aankan. Elektrisch laden vormt daarbij niet de enige oorzaak, maar draagt wel degelijk bij aan de groeiende druk’, licht Van Genderen Stort toe. ‘Voor installateurs verandert daardoor ook de verantwoordelijkheid. Waar vroeger vooral voldoende vermogen centraal stond, draait het nu steeds vaker om slim ontwerpen, sturen en spreiden. Juist in woonwijken bepaalt die aanpak of bewoners straks probleemloos elektrisch kunnen rijden zonder dat de infrastructuur vastloopt.’