EW07 omslag 600
Juli/Augustus 2022

Vat de koe bij de horens tegen stalbranden!

24 01

Ondanks de daling in het aantal stalbranden moet er veel meer aandacht zijn voor de – verborgen – gebreken in elektra-installaties in het agrarisch bedrijf. Onkunde, haast en slecht werk komen nog veel te vaak voor volgens Wim Ammerlaan. Hij breekt al jaren een lans voor kwaliteit en vakmanschap in installatiewerk bij agrariërs en geeft enkele verhelderende voorbeelden van waar het aan schort.

Begin dit jaar was er goed nieuws toen het Verbond van Verzekeraars kon melden dat het aantal stalbranden in 2021 aanzienlijk was gedaald. In dat jaar kregen Nederlandse agrariërs te maken met 35 stalbranden, tegenover 54 in 2020. Het lijkt dus dat we op de goede weg zijn en het bewustzijn is toegenomen in de agrarische sector. ‘Dat komt wellicht doordat bij de meeste agrarische bedrijven inmiddels meerdere keuringen zijn gedaan. Het ‘laaghangend fruit’ is dus wel geplukt. Defecten die eerder niet werden opgemerkt, zijn voor een groot deel nu wel opgelost,’ zegt Wim Ammerlaan.
Opgegroeid op een boerderij, waar begin jaren ’70 steeds meer installaties het bedrijf binnen kwamen, kreeg Ammerlaan de interesse voor techniek bijna met de paplepel ingegoten. Na afronding van zijn opleiding lag onder andere elektrotechnisch installatiewerk binnen de agrarische sector dan ook voor de hand. In de loop der jaren heeft hij op dit gebied een berg aan ervaring opgebouwd.
‘Toch zijn er nog zeker punten van aandacht voor risico’s op elektrisch gebied. Mag je dat van een agrarisch ondernemer verwachten? Als een contactdoos finaal van de muur is afgebroken, ziet hij dat heus wel. Maar zijn lasdozen die tegen het dak zitten en waar onder meer de verlichting op is aangesloten met ook nog enkele contactdozen, een mogelijk risico? Dat zie je niet als je niet deskundig bent. Sterker, dat zien zelfs keurmeesters niet. Die hebben geen trek om op een ladder te gaan staan in een stal.’

24 02Lasdoos met draailasdoppen waarin water is doorgedrongen.

Vieze schoenen

Op de rol van de keurmeesters gaat Ammerlaan verder in. ‘Al jaren verlangen verzekeraars een keuringsrapport voor de elektrische installatie in bedrijven, dus ook bij agrariërs. Het is dan aan de agrariër om aan te tonen dat het ook werkelijk veilig is. Constateert een keuringsbedrijf bij de controle gebreken, dan komt dat in het keuringsrapport. De gebreken moeten natuurlijk verholpen worden, want de verzekeraar verlangt immers een herstelverklaring.’
‘De praktijk leert echter dat nogal wat gebreken niet worden opgemerkt bij inspectie. Dat komt mede doordat veel keurmeesters niet zo graag hun schoenen vies maken, ofwel niet in de stront willen staan en tussen de koeien durven te lopen om hun werk te doen. Ze kijken vaak van een afstandje en dan ga je de mist in.’
Ammerlaan is niet alleen kritisch als het gaat over de kwaliteit van keurmeesters. Met name ‘amateurisme’ en ‘klussers in elektra’ zijn hem een doorn in het oog. ‘Ik zie opvallend vaak onvolkomenheden in nieuwere installaties. Bij oudere installaties is het vaak het gebrek aan onderhoud en/of aanpassingen en uitbreidingen. Hetzij via ‘doe-het-zelf’-werk of aangebracht door klusbedrijven. De overheid komt met veel regels, maar laat wel een taak liggen. Vroeger controleerden de energiebedrijven installaties voor ingebruikname. Een installatie werd sowieso niet aangesloten wanneer er geen erkend installateur aan het werk was geweest. Maar nu is die controlerende taak weg en kan iedereen een bordje met ‘elektricien’ op de deur hangen. Vestigingseisen of vakdiploma? Niet meer nodig, dus wat mag je dan verwachten bij deze vorm van ‘vrije marktwerking!’

‘Je ziet in stallen dat het koper in de kabels naar verloop van tijd gaat oxideren’

Vocht is vijand

‘Je ziet bij modern schakelmateriaal vaak van die doorsteektules. Het zal theoretisch best aan de gestelde eisen voldoen, maar voor een staltoepassing is het helemaal niks,’ benadrukt Ammerlaan. ‘Bij de lasdozen zie je vaak dat de wartels niet of niet goed zijn aangedraaid. Dat betekent dus dat het niet goed dicht is en vocht en agressieve dampen gemakkelijk kunnen binnendringen.’ Hij laat een foto zien van een lasdoos met draailasdoppen waar water in was gekomen. ‘Die lasdoos zat schuin tegen een staldak aan. Op het eerste gezicht zag het er proper uit, maar als je de kabels vastpakte, bleken ze losjes in de wartel te zitten. Dan weet je al dat er narigheid te verwachten is. Gelukkig was hier nog niks fout gegaan, want het waren nog draailasdoppen. In het geval van steeklasdoppen was dit wellicht al fout gegaan.’
Het betrof hier een stal van meer dan dertig jaar oud met de lasdoos tegen een dak van brandbare isolatieplaten uit die tijd. ‘Gelukkig past men tegenwoordig isolatiemateriaal toe dat veel minder brandbaar is. Daar wordt bij de bouw of renovatie van een stal beter op gelet.’
Ammerlaan komt met nog een voorbeeld. ‘Ik zag in een stal dat een aantal lampen defect was. Een tl-lampvoet was te heet geweest. Achterliggende oorzaak was dat het armatuur niet goed sloot. En dat kwam weer door een kunststof ophangkoortje wat tussen de rand klem zat. Vocht en agressieve dampen konden zo naar binnen dringen en bereikten de tl-voet die daardoor kapot ging. Door secuurder te werken bij plaatsing van het armatuur was dit simpel te voorkomen geweest.’

24 03Door­gebrande tl-voet als gevolg van waterlekkage.

Verouderde installaties

Het gaat, ook in oudere installaties, vaak lang goed, maar wanneer gaat het dan fout? Ammerlaan: ‘Je ziet in stallen dat het koper in de kabels naar verloop van tijd gaat oxideren. Dampen trekken uiteindelijk zelfs door de pvc-isolatie van de kabels, het is immers een agressieve omgeving. Dit is overigens wel minder bij de moderne kabels waar de aders met PE zijn geïsoleerd. De oxidelaag op de koperen draden is een slechte geleider en bij verbindingen ontstaat dan zo het risico op een hogere overgangsweerstand, met alle risico’s van dien.
Bij veroudering kunnen verbindingen aangetast raken en een warmteontwikkeling geven die fataal kan zijn. Een voorbeeld: de overgangsweerstand van een verbinding is bijvoorbeeld 0,05 Ω. Dat lijkt op het eerste gezicht weinig. Als twee lassen in een doos zitten, fase en nul, waar 16 A door gaat, is uit te rekenen dat er in die doos ruim 25 W aan warmte ontwikkeld wordt. Dit is nog een ‘normale’ bedrijfstoestand. Als er sprake is van enkele ampères overbelasting, stel er loopt 20 A, dan wordt in die doos al 40 W aan warmte ontwikkeld. Bij steeklasdoppen is er sprake van twee overgangen in serie. Als de totale weerstand van die hele verbinding ook 0,05 Ω is, mag dat dus per overgang maar een 0,025 Ω zijn. Ga je dat met een draailasdop doen, dan heb je drie verbindingen (overgangen): twee draden in elkaar getwist en de veer die erover heen zit. Die overgang via de veer is een parallelle weerstand. Dat verlaagt dan de overgangsweerstand van de gehele verbinding. Een rekensommetje leert dat elke overgang dan 0,075 Ω kan zijn om voor de gehele verbinding uit te komen op 0,05Ω.’

Vaste relatie

Het haakt volgens Ammerlaan allemaal in elkaar: de druk bij de agrariër om altijd bedrijfsklaar te zijn, afschermen van risico’s naar verzekeraar, de matige kwaliteit van keuringen en geen goede relatie met een vakkundige installateur. Over dat laatste wil hij nog wel wat kwijt: ‘In keuringsrapporten zit een pagina waar je als herstellend installateur moet paraferen voor dat herstel. Hij heeft dan minimaal de geconstateerde gebreken hersteld inderdaad, maar niet verder gekeken. De installateur is dan niet proactief op zoek geweest naar andere – niet direct zichtbare – problemen in een installatie.’
‘Het ontbreken van een jarenlange zakelijke relatie tussen een agrariër en een installateur is echt een probleem. De agrariër krijgt jan-en-alleman over de vloer voor steeds een beperkt deel van het geheel. Dat heeft als gevolg dat wat erbij geplaatst wordt doorgaans wel voldoet, maar het totale plaatje van de installatie niet meer.’
Als voorbeelden noemt hij de aanschaf en installatie van een melkrobot of het plaatsen van pv-panelen; grote investeringen voor een agrariër. ‘Iemand in een mooi pak verkoopt de melkrobot aan de boer, inclusief werkend opleveren. De installatie van dat apparaat gebeurt door derden of personeel dat zelf geen erkenning heeft. In een dag moet het allemaal geregeld worden. Of neem de partij die pv-panelen installeert en de installatie niet controleert of dat wel echt zo kan. Het gaat ook veelal om een groot aantal zonnepanelen, dus het vermogen wat eruit komt is fors.’
‘En ook: tijd is geld. Ben je ergens een middag bezig als installateur, dan wordt wel eens opgemerkt dat het lang duurt. Pas als je erover in gesprek kunt gaan, ontstaat er begrip. Dan kun je als installateur ook uitleggen waarom iets tijd kost. Anders worden de risico’s helaas meestal pas echt doorzien als er een calamiteit is. Daar moeten we echt vanaf.’

Tekst: Tom de Hoog
Fotografie: iStock, Wim Ammerlaan