EW01 cover 600
Februari 2026

De 9 schakels van een veilige pv-installatie

Van paneel tot meterkast, én het samenspel ertussen

12 01

De veiligheid van een pv-installatie staat of valt met de zorgvuldige installatie van acht onderdelen: het paneel, de dakbevestiging, de dakkabels, de dakdoorvoer, de aansluitingen, de omvormer, de kabel naar de meterkast en de aansluiting in de meterkast. Daarboven hangt nog een negende element: het samenspel van al deze onderdelen tot één installatie die elektrisch en mechanisch klopt.

Volgens elektrotechnisch instructeur Anton Kerkhofs van AK Trainingen, begint alles met de juiste dimensionering van kabels, zekeringen en aardlekbeveiliging, afgestemd op vermogen en belasting. Daar komt bij dat de meterkast selectief beveiligd moet zijn, zodat de pv-installatie geen zwakke plek vormt in de bestaande installatie.

Bob Meulendijk van Zonnepanelen Vlaardingen benadrukt aan de andere kant het belang van de mechanische kwaliteit: een onderconstructie die stabiel is, kabelroutes zonder scherpe randen of knelpunten, en doorvoeren die geen water of spanning concentreren.

1. Pv-panelen: keuze, configuratie en keurmerken

De eerste stap is de keuze van de panelen zelf, vertelt Kerkhofs. ‘Op elk paneel hoort een typeplaatje te zitten met onder andere spanning, stroom, vermogen, beschermingsklasse en de CE-markering.’
Panelen zonder de juiste CE-markering – bijvoorbeeld imitaties die lijken op bekende merken – kunnen bij inspectie worden afgekeurd. In enkele projecten zijn complete velden verwijderd omdat er nep-panelen bleken te zijn geplaatst. De installateur moet dus controleren wat hij inkoopt, inclusief documentatie en herkomst.

Daarna volgt de configuratie:
• hoeveel panelen passen er op het dak bij een goede instraling,
• hoeveel strengen zijn nodig,
• wat is de totale DC-spanning per streng,
• valt die spanning binnen het werkbereik van de gekozen omvormer?

Hier gaat het geregeld mis. Een omvormer die niet past bij de stringspanning kan buiten zijn optimale bereik werken, vaker uitschakelen of zelfs helemaal niet opstarten. De optelsom van de open-klemspanningen van de panelen in een streng bepaalt of de omvormer binnen de toegestane spanningsrange blijft, ook bij lage temperatuur (hogere spanning) en volle instraling.

2. Dakbevestiging: onderconstructie, haken en profielen

Bij pannendaken én platte daken is de onderconstructie de drager van het systeem. Meulendijk wijst erop dat de onderconstructie op zichzelf stabiel moet zijn - en dus niet mag leunen op de stijfheid van het paneel.

Belangrijke aandachtspunten:
• Verstelbare dakhaken – Daken zijn zelden volledig vlak. Goedkope, niet-verstelbare haken zorgen ervoor dat het profiel het dak volgt, met hoogteverschillen tussen panelen en extra mechanische spanning. Verstelbare haken maken het mogelijk om profielen eerst uit te lijnen en pas daarna panelen te plaatsen.
• Stijve profielen – Panelen worden groter en dunner, terwijl profielen vaak lichter worden uitgevoerd. De profielen moeten de belasting kunnen dragen, inclusief sneeuw, wind en incidenteel een monteur die erop steunt. De panelen zijn primair bedoeld voor opwekking, niet als dragende constructie.
• Kwaliteit dak en panlatten – Bij oude pannendaken met versleten latten ­
of gehaakte pannen vraagt de montage extra aandacht. Soms is het noodzakelijk om in het dakbeschot te schroeven in plaats van te haken. Meulendijk: ‘Dit kost meer tijd, maar beperkt het risico op losliggende ­pannen en schade bij storm.’
• Afstand tot dakrand en obstakels – De grens van het dak is meestal ook de grens van de montage. Bovenin het dak is het raadzaam weg te blijven van de hoogste panrij, om lekkage te voorkomen. Vermijd bovendien harde schaduwwerpers als cv-afvoerpijpjes die direct naast een paneel staan. Blijvende schaduw op een deel van de cellen kan de bypassdiodes in de junction box beschadigen.

12 02

3. Dakkabels: bevestiging, slijtage en DC-risico’s

Op het dak zijn de dakkabels een risicopunt. Kabels die vrij kunnen bewegen door wind en regen, of die in water blijven liggen, slijten sneller en kunnen op termijn doorscheuren.
Daarnaast gaat het vaak mis bij de connectoren. Hoewel veel connectoren op MC4 lijken, zijn ze niet allemaal onderling compatibel. Combinaties van verschillende merken of types kunnen leiden tot slechte mechanische passing en verhoogde overgangsweerstand. Bij DC-leidingwerk met relatief hoge spanning kan een onderbreking of slecht contact resulteren in opwarming, smeltende kunststoffen en een vlamboog, waardoor materiaal in de nabijheid kan gaan branden.

12 03

4. Dakdoorvoer: mechanische bescherming en waterhuishouding

De dakdoorvoer heeft twee functies: mechanische bescherming van de kabel en het buitenhouden van water. Kernpunten:
• Plus en min gescheiden doorvoeren – Daar waar DC-leidingen het pand worden ingevoerd, moeten deze mechanisch worden beschermd. Dit kan met een afzonderlijke mantelbuis voor de + en -leiding. DC-plus en DC-min leidingen mogen dus niet strak tegen elkaar samen door één gat’, zegt Kerkhofs. Bij oververhitting of beschadiging kan immers kortsluiting ontstaan die zichzelf niet snel uitschakelt, omdat de DC-bron (de panelen) blijft leveren zolang er licht is.
• Mechanische bescherming – In de doorvoer hoort een pijpje of buis te lopen waar de kabel doorheen gaat. Dit voorkomt dat de kabel langs scherpe randen schuurt of wordt gekneld bij beweging van dak of gevel.
• Afloop naar buiten – Plaats de doorvoer zo dat mogelijke waterstromen naar buiten worden geleid.

Bij bodemdaling of zettingen is het verstandig een lus in de kabel te maken, zodat de kabel niet strak komt te staan als grond of fundering beweegt.

12 04

5. Aansluitingen: ­verbindingen en trekontlasting

Alle overgangen tussen kabels, panelen, verlengstukken en omvormer zijn potentiële zwakke punten. Hier komen drie aspecten samen: elektrisch contact, trekontlasting en bescherming tegen vocht.
Belangrijk is dat er altijd met de juiste pers- en krimptangen wordt gewerkt. Een perstang moet passen bij het betreffende merk MC-4-connector. Ook moeten connectoren volledig worden dichtgedraaid, zodat de afdichtingen goed sluiten. Let bovendien goed op dat kabels zo worden bevestigd dat er geen mechanische trekkrachten op de connector komen te staan.

6. Omvormer: plaatsing, koeling en scheiding van voedingen

De plaatsing van de omvormer bepaalt mede de bedrijfsveiligheid. Belangrijke aandachtspunten:
• Locatie – De omvormer moet goed bereikbaar, inspecteerbaar en afleesbaar zijn. Monteer deze dus niet achter knieschotten of hoog op een schuin dak zonder voorziening voor inspectie.
• Koeling en vrije ruimte – In de handleiding van de omvormer staat aangegeven hoeveel vrije ruimte boven, onder en opzij nodig is voor warmteafvoer. Als de omvormer te krap in een kast of nis wordt geplaatst, kan de bedrijfstemperatuur te hoog oplopen, met alle gevolgen van dien.
• DC-lastscheider – Kleinere omvormers hebben vaak een geïntegreerde DC-lastscheider. Bij grotere systemen moet een externe DC-lastscheider worden geplaatst. De norm vereist dat een omvormer spanningsloos kan worden gemaakt, ofwel zowel aan de DC- als de AC-zijde kan worden ­gescheiden van de installatie. De meest logische plaats voor de DC-lastscheider is in de directe nabijheid van de omvormer, op een goed bereikbare plek.
• Micro-omvormers – Bij woningen worden regelmatig micro-omvormers toegepast. Dan wordt de DC-zijde beperkt tot het paneelniveau en gaat er direct een AC-kabel (bijvoorbeeld YMVK) naar beneden.

12 05

7. Kabel naar de meterkast: ­spanningsverlies en kabelkeuze

De kabel tussen omvormer en meterkast wordt soms onderschat, omdat het om AC gaat. Toch is dit een veelvoorkomende bron van klachten. De omvormer kan alleen energie in het net sturen als hij de spanning iets hoger maakt dan in de meterkast. Hoe groter het spanningsverlies in de kabel, hoe hoger de omvormer moet ‘instellen’. Bij een dunne of lange kabel kan dit ertoe leiden dat de grenswaarde wordt bereikt en de omvormer uit veiligheid uitschakelt.
Om dit te voorkomen moet de kabeldoorsnede zo worden gekozen dat het spanningsverlies beperkt blijft, vaak rond 1 procent. Bij 1-fase-woninginstallaties is vaak een 6 mm²-kabel nodig, ook bij relatief bescheiden pv-vermogen. Hou de route zo kort mogelijk. Bovendien dienen kabels die buiten lopen (bijvoorbeeld langs de gevel) mechanisch goed te zijn bevestigd en beschermd.
Bij ondergrondse trajecten biedt een slagvaste mantelbuis extra bescherming. De buis hoeft in een dergelijke situatie niet per se op 60 cm diepte te liggen, zolang de mechanische bescherming voldoende is en de kabel zelf geschikt is voor de toepassing.

8. Aansluiting in de meterkast: ­selectiviteit en warmte

De aansluiting in de meterkast is een van de meest kritische schakels. In bestaande woningen is de meterkast oorspronkelijk ontworpen voor het gewone huishoudelijke verbruik. Het aansluiten van een pv-installatie betekent extra stroom en extra warmteontwikkeling.

Belangrijke aandachtspunten zijn daarom:
Norm voor schakel- en verdeelinrichtingen (Nen-EN-IEC 61439) – Zodra aanpassingen worden gedaan, verandert de thermische situatie van de schakel- en verdeelinrichting. De installateur wordt in feite verantwoordelijk voor de nieuwe samenstelling en moet kunnen aantonen dat de schakel- en verdeelinrichting (nog) voldoet aan de norm. Panelenbouw is echter een vak apart. Het feit dat er nog ruimte is om een extra automaat te plaatsen, wil niet zeggen dat de thermische ruimte er ook is. Ook kan de stroom door sommige componenten ontoelaatbaar hoog worden, met brand tot gevolg.
• Selectiviteit van beveiligingen – De gekozen automaten, aardlekautomaten en eventueel Q-relais moeten zo zijn gekozen dat een fout in de pv-installatie niet de hele woning uitschakelt, maar ook niet leidt tot onbedoelde overstroom door andere delen van de installatie.
• Eigen groep en aanduiding – De pv-installatie hoort afzonderlijk op de meterkast te worden aangesloten en afhankelijk van de circuitimpedantie voorzien van een passende aardlekbeveiliging. Duidelijke stickers in de meterkast waarschuwen dat ook na het uitschakelen van de hoofdschakelaar de meterkast is verbonden met een voedende pv-installatie. Met andere woorden: scheiding moet nu op twee plaatsen gebeuren om veilig werken mogelijk te maken.
• Mechanische bevestiging – De kabels in en naar de meterkast moeten deugdelijk worden gemonteerd, bijvoorbeeld met beugels. NPR5310 geeft hier de praktische handleiding voor.

9. Het samenspel: ontwerp, ­samenwerking en oplevering

Tot slot is er nog het samenspel van alle onderdelen. In de praktijk zijn vaak twee monteurs aanwezig: één richt zich op het dak (panelen, onderconstructie, dakkabels), de ander op de elektrotechnische aansluiting (omvormer, kabel, meterkast).

Voor een veilige installatie is het essentieel dat:
• het ontwerp vooraf is doordacht, inclusief stringconfiguratie, kabeldoorsneden, beveiligingen en mogelijke aanwezigheid van bliksembeveiliging,
• monteurs weten welke normonderdelen relevant zijn (onder andere Nen 1010, deel 7-712 en Nen-EN-IEC 61439),
• bij aanwezigheid van bliksembeveiliging eerst een specialist wordt geraadpleegd over minimale afstanden tussen blikseminstallatiedelen en pv-installatiedelen en compatibiliteit (Nen-EN-IEC 62305),
• alle stappen worden vastgelegd, inspectie wordt verricht, de resultaten worden vastgelegd in een meetrapport en schema’s, technische documentatie en opleverdocumenten aan de klant worden opgeleverd.

Wat Kerkhofs en Meulendijk maar willen zeggen: een pv-installatie die er van buiten netjes uitziet, is niet automatisch veilig. Pas als ontwerp, mechanisch werk en elektrotechniek op elkaar zijn afgestemd en aantoonbaar voldoen aan de eisen, is sprake van een installatie die langdurig veilig kan functioneren.

Tekst: Robbert Hoeffnagel
Fotografie: iStock/taylanibrahim/­bodym/Mirrorimage-NL/photoschmidt/romaset/Rene Notenbomer

Lees meer artikelen in het dossier Zonne-energie installaties

Meer weten over de nieuwste installatietechnieken en de laatste richtlijnen?
Meld u dan nu aan voor onze gratis tweewekelijkse nieuwsbrief.