EW07 Omslag 600
Januari 2026

Veilig werken aan elektrische installaties en toestellen

Hot topic

68 01

Tijdens de monteursdagen van Wij techniek voor de elektrotechnische sector, bleek dat veel monteurs niet bekend zijn met de wijze waarop installaties moeten worden veiliggesteld en dat zij zelfs de middelen daarvoor niet hadden. Nen 3140 geeft een duidelijke procedure voor hoe je als monteur om moet gaan met elektrische installaties en toestellen voordat je er aan gaat werken.

Voordat je gaat werken aan, met of nabij een elektrische installatie en toestellen moet je het risico inschatten. Elektrische risico’s kunnen zijn elektrocutiegevaar en brand, en brandwonden door vlambogen. Deze risico’s zijn in het algemeen aanwezig in de elektrische installaties die werken met een spanning > 50 VAC en > 120 VDC. Maar ook in installaties met een lagere spanning kan een elektrisch gevaar ontstaan, bijvoorbeeld bij het werken in een brandmeldcentrale met een accu (vlambooggevaar).
In het Arbobesluit 3.5, de Arbocatalogus en Nen 3140 staat beschreven dat je geen werkzaamheden mag verrichten aan of nabij een elektrische installatie en toestellen onder spanning als daarbij een (elektriciteits)gevaar kan ontstaan. Een uitzondering hierop geldt slechts in zeer uitzonderlijke situaties na een zeer gedegen afweging en het treffen van beschermingsmaatregelen door de werkverantwoordelijke.
Werkzaamheden zoals meten en bedienen, worden meestal niet gezien als ‘werken onder spanning’, maar vereisen soms wel het gebruik van PBM’s, afschermende middelen en/of specifieke meetapparatuur om dit veilig te kunnen doen. Voordat er aan een installatie of in apparaten wordt geschroefd, gesleuteld en dergelijke, moet de installatie of het apparaat worden veilig gesteld.

68 02Werkschakelaar

Veilig stellen

Veilig stellen heeft als doel dat de installatie op de werkplek spanningsloos is en blijft tijdens de werkzaamheden. Het veiligstellen bestaat uit 5 stappen die in een vaste volgorde moeten worden doorlopen.
1. Scheiden.
2. Beveiligen tegen opnieuw inschakelen.
3. Controleren of de installatie spanningsloos is.
4. Aarden en kortsluiten.
5. Afschermen van actieve delen.

Stap 1, 2 en 3 gelden voor vrijwel alle situaties. Stap 4 en 5 zijn in uitzonderlijke situaties van toepassing en vereisen een voorbereiding door de werkverantwoordelijke.

68 03Een slot erop en een waarschuwingslabel erbij voorkomen onbedoeld inschakelen.

Stap 1 - Scheiden

Het gedeelte van de elektrische installatie waaraan wordt gewerkt, moet zijn gescheiden van alle voedingsbronnen die een elektrisch gevaar kunnen opleveren. Alle actieve delen, zoals de fase(n) en nul, in de installatie of het toestel waaraan wordt gewerkt, moeten worden onderbroken:
• L en N in een 230 V installatie,
• L1, L2 , L3 en N in een 230 / 400 V installatie.

Elke installatie moet (Nen 1010, bepaling 462.1) zijn uitgerust met toestellen om te kunnen scheiden ofwel veilig te kunnen werken aan een achterliggende installatie en aangesloten toestellen. Dit kan bijvoorbeeld met een lastscheider (zoals een hoofdschakelaar), een installatieautomaat of een aardlekschakelaar of door het verwijderen van een stekker uit een contactstop.

Voorbeelden waarbij geen scheiding wordt gerealiseerd:
• Bedienen van een lichtschakelaar - De schakelaar is bedoeld om alleen de fase-geleider te onderbreken. De nul is daarbij niet verbroken.
• Het verwijderen van drie smeltpatronen - Ook de nulgeleider moet worden gescheiden.
• Het bedienen van een enkel-polige-installatieautomaat - Ook de nulgeleider moet worden gescheiden.
• Het bedienen van een werkschakelaar - Een werkschakelaar moet op machines aanwezig zijn om mechanische werkzaamheden mogelijk te maken. Het is geen gegeven dat de werkschakelaar een scheider is die alle actieve delen ook daadwerkelijk scheidt.

68 04Isolerende dopjes voor de meetpennen

Stap 2 - Beveiligen tegen opnieuw inschakelen

Voorkomen moet worden dat tijdens de werkzaamheden aan de elektrische installatie deze wordt ingeschakeld. Een scheider in een installatie moet voorzieningen hebben om deze te vergrendelen (Nen 1010, bepaling 462.4). Bij een installatieautomaat zijn hiervoor de kleine gaatjes waar een borgingsmiddel in kan worden geklikt.
Nen 3140: Vergrendeling moet bij voorkeur gebeuren door het bedieningsmechanisme (waarmee de installatie is gescheiden) te vergrendelen of andere vergelijkbare maatregelen te treffen. Ofwel: de klip op de automaat te monteren waarmee onbedoeld inschakelen wordt voorkomen. Alternatieven zijn een dummy voor D- en mespatronen en een slot op een lastscheider.

68 05Duspol met tweehandsbediening

Stap 3 - Controleren of de installatie spanningsloos is

Nen 3140: Op of anders zo dicht mogelijk bij de werkplek moet worden vastgesteld of de installatie ook daadwerkelijk spanningsloos is. Bijvoorbeeld daar waar de voedende leiding in het toestel is aangesloten. Dit moet met een dubbelpolige spanningsaanwijzer, ook wel een Duspol genoemd, die voldoet aan Nen-EN-IEC 61243-3. Ongeschikt hiervoor zijn andere meetinstrumenten, zoals een multimeter, een voltstick of een spanningzoeker. Een dubbelpolige spanningsaanwijzer kan namelijk, in tegenstelling tot de andere meetinstrumenten, de installatie ontladen. Ontladen is belangrijk bij moderne apparaten met een condensator, zoals de meeste klimaatapparatuur, schakelende voedingen enzovoort. Let op: Voor en na het gebruik moet de Duspol worden beoordeeld en beproefd op een veilige en juiste werking.
Het vaststellen dat de installatie spanningsloos is en het ontladen, moet gebeuren tussen alle geleiders op de werkplek. In een 230/400 V-installatie betekent dit tien keer meten. In een 230 V-installatie drie metingen: daar waar de voedende kabel binnenkomt in het toestel.
Steeds nadat beide pennen zijn geplaatst moeten beide knoppen met de duim op de Duspol worden ingedrukt. Hierdoor wordt een laagohmige weerstand ingeschakeld en wordt de installatie ontladen. De meetpennen mogen geen kortsluiting kunnen maken (eis in Nen 3140). Hiervoor is het vaak noodzakelijk dat er isolerende dopjes op de meetpennen worden geplaatst. Als bij het meten de handen (mogelijke) nabij blanke actieve delen kunnen, dan is het dragen van isolerende handschoenen verplicht.

Tekst en fotografie: Anton Kerkhofs, AK Trainingen en projecten

Lees meer artikelen in het dossier Laagspanningsinstallaties

In deze rubriek, tot stand gekomen in ­samenwerking met de afdeling Techniek & Markt van Techniek ­Nederland, behandelen wij actuele technische onderwerpen waar installateurs in hun vak mee te maken kunnen krijgen. Heeft u ook een Hot topic? Stuur hem dan naar media@technieknederland.nl.