Remi Hompe, directeur van Vereniging Binnenklimaat Nederland, wil in veel projecten aan de rem trekken. Hij ziet namelijk dat deze opdrachten starten vanuit een isolatie- en energie-besparingsvraag. Pas later komt het vraagstuk frisse lucht aan de orde. Hompe pleit daarom voor een koers waarin we gezondheid en comfort leidend maken, en dat de energieambitie daaruit voortvloeit. ‘Begin niet met energie om vervolgens te proberen te redden wat er misloopt. Kijk eerst wat nodig is voor schone lucht, vochtbeheersing en prettig thermisch gedrag.
Bij sterk geïsoleerde woningen verschijnt schimmel sneller en stapelt fijnstof zich op in keukens, doordat afzuiging tekortschiet. In kinderdagverblijven en andere utiliteitsgebouwen vertaalt een matig binnenklimaat zich in vermoeidheid, hoofdpijn en meer ziekteverzuim. Als we dat weten, waarom raakt het binnenklimaat in woningen en bijvoorbeeld kinderdagverblijven dan zo gemakkelijk uit beeld, terwijl mensen 80 tot 90 procent van hun tijd binnen doorbrengen? Hoe vertaal je gezonde ambities naar installaties die ook na oplevering goed blijven presteren? In dit gesprek schetst Hompe waar het misgaat, wat private Programma’s van Eisen (PvE's) toevoegen, welke lessen corona naliet en wat dit alles vraagt van ontwerp, montage, inregeling en onderhoud.
Waar gaat het mis met de eisen voor een gezond binnenklimaat?
‘De aandacht blijft hangen bij verduurzaming, terwijl gezondheid door middel van goede ventilatie slechts bijzaak lijkt. In de publieke regelgeving draait alles om de hoeveelheid lucht die je een gebouw in blaast. Over de kwaliteit van die lucht stellen die regels geen eisen. Dat verklaart waarom wij zelf Programma’s van Eisen voor gezonde gebouwen ontwikkelen. Daarmee leggen we vast welke luchtkwaliteit en welk comfort nodig zijn, en de daarbij behorende randvoorwaarden. Wettelijk borgt niemand dat, dus moeten we als sector zelf verantwoordelijkheid nemen en laten zien dat het anders kan.’
Hoezeer is het van belang om naar de gebruikers van een gebouw te kijken?
‘Een kinderopvang heeft een andere ventilatiebehoefte dan een kantoor, en oudere mensen ervaren comfort anders dan jongeren. Dat vraagt om maatwerk per doelgroep. Ik verwacht dat we die kant steeds verder op gaan, tot we zelfs per zone in een gebouw verschillen toelaten voor bijvoorbeeld mensen met astmatische klachten. Ongeacht het gebouw of de individuele wensen gebruiken we voor de PvE’s eenzelfde opbouw. We werken met niveaus van basis tot heel ambitieus. Die liggen boven het niveau van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl). Tegelijk vraagt elk gebouwtype om eigen prestatie-eisen.’
Kunnen deze PvE’s ook echt helpen om een verandering teweeg te brengen?
‘Ja. Ze vullen het gat dat het Bbl laat liggen. We ontwikkelden ze samen met marktpartijen, de wetenschap en consumentenorganisaties. Private standaarden tonen de haalbaarheid. Daarmee geven we het binnenklimaat een boost en kunnen we daarna publieke regels daarop laten aansluiten. Twintig jaar lang bij een ministerie aan de deur kloppen levert weinig op. Met de PvE’s en richtlijnen creëren we wél beweging in de praktijk.’
Hoe zorgen we er voor dat de regels niet alleen op papier kloppen, maar dat ze ook in de praktijk tot gezondere gebouwen leiden?
‘Het probleem zit ’m niet zozeer in het maken van meer regels, dan wel in het borgen van prestaties. In de praktijk wordt ventilatie zelden getoetst. Er is weinig structurele controle op de beloofde prestaties van systemen. Veel tijd gaat naar plannen, rapporteren en theoretische onderbouwing en veel minder naar metingen in het gebouw. Juist inspecties op locatie, periodieke prestatiemetingen en goede onderhoudsregistratie zorgen ervoor dat gezondheid niet bij intenties blijft. Heldere, eenduidige richtlijnen helpen installateurs en gebouwbeheerders daarop te sturen. Koppelen we die basis aan toetsing en opvolging, dan verschuift de vraag van ‘wat staat er op papier?’ naar ‘wat verander jij morgen in ontwerp, uitvoering en beheer?’’
Welke concrete stappen zorgen voor die snelle verbetering?
‘Een gezond binnenklimaat en comfort zouden in elk gebouw of bij elk ontwerp op één moeten staan. Begin niet met energie om vervolgens te proberen te redden wat er misloopt. Kijk eerst wat nodig is voor schone lucht, vochtbeheersing en prettig thermisch gedrag. Kies daar installaties bij en doe dat zo energiezuinig mogelijk. Als we die volgorde pakken, voorkomen we dat isoleren leidt tot vocht, schimmel en klachten. Dat klinkt simpel, maar het vraagt om heel een andere denkwijze in ontwerp en uitvoering.’
Welke rol is hierbij weggelegd voor installateurs, adviseurs en fabrikanten?
‘De PvE’s geven prestatie-eisen en technische richtlijnen voor ontwerp, realisatie en onderhoud. Die beschrijven waar mensen in de praktijk tijdens de bouwfase rekening mee moeten houden; van luchtdebieten en kanaalvoering tot inregeling, geluid en filterkeuze. We trekken die richtlijnen naar een bredere toepasbaarheid voor alle type gebouwen. Daarnaast is goed onderhoud en beheer van wezenlijk belang. Een systeem kan vandaag prima draaien, maar zonder goed onderhoud zitten we binnen een paar jaar met problemen. Installateurs leveren dus niet alleen techniek, maar ook borging op de lange termijn. Iemand moet dat vertalen naar oplossingen. Daar ligt een directe taak voor adviseurs, fabrikanten én installateurs.’
Wat leerde de coronaperiode ons over ventilatie en luchtkwaliteit en hoe staat Nederland ervoor als er een vergelijkbare pandemie opduikt?
‘Corona liet de kracht van meten zien. We pleitten toen voor CO2-sensoren in elke publieke ruimte. Zo’n stoplichtfunctie laat zien of een ruimte veilig aanvoelt. CO2 meet natuurlijk niet de aanwezigheid van het virus, maar hoge CO2-waarden wijzen wel op meer verspreidingsrisico. Dan wil je extra ventileren of reinigen. Sensoren helpen ook bij bewustwording. Mensen kijken naar de waarden en passen hun gedrag aan. Het jammere is dat na de afvlakking van corona de onderzoeken stopten en het onderwerp verdween. We lieten een leerervaring liggen. Daardoor zouden we, als er vandaag opnieuw een pandemie komt, doorgaan zoals vijf jaar geleden. Er ligt geen plan om gebouwen naar klasse A te ventileren. Ook standaard monitoring via sensoren ontbreekt. We hebben draaiboeken voor mondkapjes en logistiek, maar het wendbaar maken van Nederland via het binnenklimaat gebeurt niet. Dat blijft zonde, want als we op grote schaal gezond ventileren en meten, reduceren we virusverspreiding enorm.’
‘Zodra je in realtime ziet wat CO2, vocht en fijnstof doen, ga je vanzelf anders handelen’
Fijnstof in woningen, en met name in keukens, behoeft ook aandacht. Wat vraagt dat van ontwerp en installatie?
‘Zelfs wanneer bewoners op inductie koken, blijft de impact groot als afzuiging tekortschiet. In veel woningen gaat er wel lucht naar buiten, maar niet genoeg om kookdampen weg te trekken. We stelden daarom een richtlijn keukenventilatie op die uitgaat van bronafzuiging naar buiten en goede dimensionering. Bewoners kunnen gezond koken, maar als het systeem niet goed is ontworpen en geplaatst, krijgen ze toch een bak fijnstof binnen. Dat willen we voorkomen door afzuiging serieus te ontwerpen, goed te monteren en strak te onderhouden.’
U ontwikkelde ook een binnenklimaat-label. Wat voegt dat toe voor installateurs en opdrachtgevers?
‘Het label maakt prestaties zichtbaar. Het werkt met continue monitoring via sensoren, niet met één momentopname. In kantoren combineren we dat met een vragenlijst voor gebruikers. In kinderopvangcentra hangen we per ruimte sensoren op en beoordelen we de data. Zo zien we meteen of CO2, fijnstof en/of vocht te hoog oplopen. Dat levert een stevig label op tegen een redelijke prijs, en het geeft installateurs een concreet instrument om prestaties te borgen en bij te sturen.’
Welke gedragsverandering vindt u het hardst nodig bij bewoners, scholen of beleidsmakers?
‘Veel mensen koppelen ‘gezond leven’ aan eten en sporten, maar niet aan de lucht die ze inademen. Dat vraagt om bewustwording én handelingsperspectief. Daarom richtten we met partners het platform Gezond Binnen op. Daarop geven we simpele tips, zoals goed afzuigen bij koken en ventileren op basis van metingen. Zodra je in realtime ziet wat CO2, vocht en fijnstof doen, ga je vanzelf anders handelen.’
Waar ziet u de grootste kansen voor innovatie in het binnenklimaat?
‘Sensor- en data-technologie maken steeds meer maatwerk mogelijk. Op termijn zie ik gebouwen die per zone ventileren op basis van de behoefte van gebruikers, net zoals we voeding personaliseren. We staan nog aan het begin. Eerst moet de basis op orde, daarna kunnen we richting echt adaptieve systemen. Dat levert winst op voor comfort en gezondheid, en het maakt installaties slimmer en robuuster.’
Wat zou u morgen veranderen als u het voor het zeggen had?
‘Ik stel dan een gezond binnenklimaat als eerste randvoorwaarde voor elk gebouw. Daarna komt pas de rest. Gezonde, comfortabele gebouwen vormen het vertrekpunt en daar zoeken we dan de energiezuinige en duurzame oplossingen bij. Nu doen we het omgekeerd, en dat is in mijn optiek de wereld op z’n kop.’